Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/78

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Een éénige ducdalf wenscht gij te zijn boven den lagen vloed der gemeenschapsideeën—en gij zijt het. Weldra zal de beurt aan de Heidenen komen om voor de wilde dieren te worden geworpen, maar dan zult gij nog onbewogen in het midden van den arena staan en dreigend uw vuist ballen op hoog geheven arm naar de zetels van den opper-socialist en zijn staf. Zooals een Heiden den lof zingt van den strijd en zijn eerbied voor de dooders van menschen, en zijn vergoding van de wraak, en bij vrouwen, noch bij wijn, noch aan den disch van maat houden weet en wil weten, en den ingetogenen en zachtmoedigen een gruwel is,—zoo komt gij thans aan met uw individualistisch cynisme om te zeggen dat het ongeluk van velen u dierbaar is, en dat gij de beperking van het geluk tot eenige hoofden schoon vindt. Gij zegt het zoo brutaal-bedaard, zoo bewust-in-tegenspraak, zoo halsstarrig-oorspronkelijk, als een Heiden-hoofdman voor eene inquisitie van monniken, met de brandstapel in het gezicht. Niet waar, gij ziet dat ik hier overdrijf, dat ik aanvul, en uw eigen uitdrukkelijke classificatie van uw artikel in den wind sla, om er een groot-hartstochtelijke vereering van het Individualisme van te fantaseeren, maar de elementen die ik nu aanduid, zitten er toch in en ik proef ze op de tong als ik goed dóórproef. Ik bedoel met deze karakteristiek, dat uwe aesthetiek van de samenleving er eene is die tegenover de mijne staat, als die van de Heidenen tegenover die van de Christenen, wat den aard van die sentimenten aangaat en hunne groepeering. Want toen de Heidenen het Christendom zagen binnendringen in hunne landpalen, als een dijk die eenige druppelen, dan een straal en eindelijk een zee doorlaat, toen meenden ook zij dat hun wereld van mooi en leelijk, van goed en kwaad, overstroomd zou worden en boven de onafzienbare plassen geen enkele van de Olympiërs op zijn voetstuk zou blijven staan. Een machtiger God dan Jupiter, een wijzer man dan Socrates, zouden hemel en aarde beheerschen en al de geleerdheid die gedacht was en de schoonheid die was gemaakt, gekeerd worden door de haveloozen en vagebonden die den Nazarener

74