Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/89

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


dat wat zij niet verstaan, onverstaanbaar is. Het weekblad De Amsterdammer, Uilenspiegel, het Handelsblad, Studenten-geschriften, De Gids, De Spectator, allemaal bourgeois-organen, hebben hunne onnoozelheid niet weten te verbergen. In arbeiderskringen is een veel grootere bescheidenheid. Het verwondert mij dat gij deze onbevoegdheid juist bij hen ter sprake brengt. De werklieden hebben ten-minste een goede verontschuldiging; als men u op uw tiende jaar in een katoenspinnerij had gezet, zoudt gij nu misschien voor een cent een vers maken als een van uwe kameraden ging trouwen. Maar weten wij dan niet, dat zelfs het bezit van geld, dat in staat stelt van hoogere dingen eenig begrip te krijgen, tegenwoordig maar bij zeer weinig personen een gewenscht effect heeft? Het versterkt wat ik heb gezegd, dat juist wij in de gelegenheid zijn geweest om op te merken, dat de geld-beschaving van onzen tijd een schijn-beschaving is.

Wat Millet aangaat, het besteden van eenige tonnen gouds voor een schilderij door een of anderen particulier, acht ik een gebeurtenis die alleen in onzen toestand van betrekkelijke barbaarschheid mogelijk is, omdat ik haar in alle opzichten afkeur. Ten eerste: er is geen enkele reden om te gelooven dat de beste betaler ook de beste kenner zal zijn, er zijn vele redenen om aan te nemen dat dit niet het geval zal wezen. De kooper geeft dus zeer waarschijnlijk niet zooveel geld om zijn kunstzin te bevredigen, maar uit ijdelheid en modezucht. Ten tweede: het is verkeerd dat in particuliere verzamelingen de beste schilderijen komen; want wie weet wat hun lot zal zijn als de verzamelaar dood is, en dikwijls worden zij in zulke collecties voor langen tijd begraven. Zooals de zaken nu staan, kan het aanleggen van een kabinet, het met zorg en opofferingen volgen van een zuivere kunsthefde, de voornaamste bezigheid van een welbesteed leven zijn; maar het is dit immers gewoonlijk niet, en de grillen van een mode en de onartistieke eischen van een onopgevoeden geldadel hebben al veel kwaads gesticht. Ten derde: zulk eene buitensporige belooning van

85