Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/91

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


VII

 

Gearmd ben ik met u geschreden over den drempel van het versterkte blokhuis mijner socialistische meeningen. Ik heb u de inrichting laten zien, het weerstandsvermogen gewezen, de bewapening, de bergplaatsen van mondvoorraad en ammunitie, en ik heb u gevoerd naar den wachttoren op het dak, zooals de gastheer in Looking Backward den ontwaakten slaper meenam naar het plat boven de kamers van zijn woning. Ziet gij nu ook, zooals hij deed, neêr op een geheel veranderd Boston van meeningen en voorstellingen? Ik vlei mij met de hoop dat het zoo is. Kijk, waar het op aan komt: of, met onze begrippen, wij ons een socialistische werk-inrichting kunnen voorstellen; of het waar is, dat de maatschappij van af het begin eener geschreven geschiedenis, bezig is in dezen zin steeds socialistischer te worden; met andere woorden, de economische en de historische hoofdvragen betreffende het Socialisme, die zijn hier natuurlijk maar aangeduid kunnen worden. Tot een overtuigden Socialist heb ik u dus niet kunnen maken, al had ik een twintigvoudige overredingskracht bezeten. Dat weet ik. Maar op de wijde akkers van de menschelijke gedachte zijn de duizenden socialistische arbeiders bezig in alle richtingen te arbeiden, onverpoosd en vol toewijding. Gij hebt tot dusver dit een onhandig ploeteren en onvruchtbaar afbeulen gevonden; uwe oogen hadden de waarheid niet gezien. Ik ben een van die werkers, en het wordt, langzamerhand, mijn taak op te passen dat de anderen ongestoord aan den arbeid kunnen blijven. Wij, sprekers en schrijvers, moeten hen bewaken en beschermen, de een weert zich met de spade, de ander met het geweer, als de verdeeling van den pionier-arbeid op de grenzen van de beschaafde wereld. Daarom kan ik spreken van een versterkt blokhuis dat ik heb gebouwd, het eerste, hoop ik, van een reeks versterkte plaatsen. Telkens zal ik u verzoeken den toren te bestijgen en mij te zeggen of gij op de gravers in de velden niet een ander gezicht krijgt....

 
87