Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/309

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

XLIII.

 

Ik weet dat al mijn doen is trachten, dat al mijn zeggen is benaderen, dat al mijn denken is weifelen—daar niemand goed is dan Eén alleen.

In de Schoonheid zie ik de Rede niet—en in de Rede zie ik de Schoonheid niet. Beiden wil ik, maar in den mensch zullen zij elkander niet gansch bereiken.

Maar ik weet ook dat de hoogste Wijsheid en de hoogste Schoonheid is in de bewegingen des harten, in de diepe voelingen des gemoeds—daar deze het zijn die slechts zichzelven verklaren, maar waaruit al het andere verklaard wordt.

En daar ik ook in deze de allergrootste gewisheid heb gevonden van den Wil van Hem, wiens Grooten Naam ik in mijn machteloos verlangen wel oneerbiediglijk te dikwijls heb genoemd.

Zijn Wil is in ons zooals de schoonheid der bloemen en de zoetheid der vruchten is in het kleine zaad. Het is niet Doel, het is niet Oorzaak. Maar het is in ons.