Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/323

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

XLVI.


Een ster scheen over de zee. Die was zóó helder en zóó wit, dat onder haar, op woelige zee, een breede kalme baan lag van haar glans, tot aan het donker strand, een glansrijk floers van blank planeet-licht.


Wonderster. Stille licht-planeet. De hemelen zijn onmetelijk, en het land ligt breed en woest in links en rechts wild weggesleurd zwart.

Maar stil de wonderster. Maar stil de lichtplaneet.

Gaat haren hoogen Weg, blij-bezig, zeer verheven. Ziet ons, bij 't gaan, fijn-kijkend, strak, opmerkzaam.

De wolken vóór haar. Wel weer weg. Zij legt dan rustig, even als te vore, de wemelende glans-vloer neer, op 't ruw-zwart zeegezicht.

Enorm, oneindig—in één oogwenk.


Zij is mijn wetende getuige en in ondenkbare verten mij toch na. De koude ruimten zijn mij niet langer