Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/90

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

VIII.

 

Kan het dan toch bestaan, dat mijn woorden goed zijn en ikzelf zoo slecht?

Want ik ben wel gedaald in blinde duisternis, in dood-stomme nacht, ik ben wel minder dan de minste die mij hooren kan.

En zie, de lichte woorden rijzen toch in mij op, — zoodat ik ze aanzie als wonderlijke leugens.

De liefde van geenen mensch is sterk genoeg dat zij kan dragen het weten mijner slechtheid.

Van waar is dan deze matelooze barmhartigheid die voortgaat mij goed te doen in mijnen hoon?

Ik ben zielskrank, ik ken de stem mijner liefste niet, mijne kinderen zijn mij vreemden.

Maar eene Liefde blijft mij gestadig bij en geeft mij rustig haar serene licht. Zij legt haar zachte witte handen over mijn donker ongeloof.