Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/40

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd




HOOFDSTUK III
 

IJS, IJS, OVERAL IJS!

 

Daar de wind nog altijd gunstig bleef, duurde het luie leventje nog wat voort, maar het werd met den dag kouder en terwijl men in het vaderland misschien met open ramen zat, liepen onze ontdekkingsreizigers soms te klappertanden van kou.

Op een morgen—'t was nog in 't begin van Juni—riep Jacob, die op het voorschip wandelde, op eens: „Zwanen! Een heeleboel witte zwanen!"

Allen die onder waren sprongen nu in een ommezien aan dek en riepen: „Waar? waar?"

„Kijk, dáár!" zei Jacob en wees in de richting waar hij ze gezien meende te hebben.

„Bij mijn zolen, jongens, dat zijn net zoo min zwanen," bromde de oude Willemsz, „als dat ik een jonge joffer ben."

Nu daar had de verweerde zeebonk al heel weinig van en de anderen moesten dan ook hartelijk lachen om die vergelijking.

„Maar wat denk jij dan, dat het zijn?" vroeg Sterrenburgh.

„Ik geloof dat het ijs is, kameraden, en geen beetje ook."

't Bleek maar al te waar, want weldra gingen ze zóó tusschen de drijvende ijsmassa's door, alsof ze tusschen twee landen zeilden.

Het werd nu noodzakelijk geacht, scheepsraad te beleggen. Barentsz meende, dat men meer Oostelijk diende

3
Heemskerck op Nova Zembla