Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/48

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
IJS, IJS, OVERAL IJS!
41
 

gens leven, nergens bloei, nergens geluid! Tot soms een reusachtige drijvende ijsberg, door de afschuring van het water aan zijn voet, eindelijk topzwaar geworden, plotseling omkantelde met een donderenden plof... Dan was alles weer stil, stil als het graf. Is het dan wonder, dat de bemanning ernstig was, dat een diep besef van de menschelijke nietigheid en onmacht hen aangreep, te midden van die vreemde, maar grootsche natuur!

Maar toch—al liepen zij aanhoudend gevaar van ingesloten te worden, al dreigde voortdurend een kantelende ijsberg met vernieling en dood, die kloeke mannen schuwen geen arbeid, zij kennen geen vrees, zij duchten geen gevaren. Was niet hun vaartuig „De Volhouder" gedoopt? Welnu, vólhouden zou men, tot het doel bereikt of onmogelijk was gebleken!

Zoo kreeg men, na dagen van schier bovenmenschelijke inspanning, op den 17den Juli eindelijk Nova Zembla in 't gezicht. Twee dagen later waren zij tegenover het Kruiseiland. Maar nu kwam het drijfijs hun in zoo geweldige massa's den voortgang belemmeren, dat zij onmogelijk verder konden.

„Kijk, meester Hans," zei Jacob,—want ondanks het vroeger gebeurde waren deze twee al heel gauw weer de beste maatjes geworden—„twee kruisen aan wal! Zouden daar menschen wonen?"

„Wel nee, jongen, die hebben stellig de Russen daar opgericht, toen ze er hun tijdelijk verblijf hadden. Ik denk wel, dat wij er onze merkteekens ook zullen zetten. Dat hebben we immers al op een heeleboel andere plaatsen gedaan?"

„Wel, dan hoop ik, dat ik mee mag," zei Jacob.

„Zoo jongen, zou je zoo graag 'reis aan wal willen?" vroeg Heemskerck, die inmiddels genaderd was en die laatste woorden had opgevangen: „Nu, ik heb er niet op tegen."

Een oogenblik later werd de bok neergelaten, de