Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/6

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd




HOOFDSTUK I
 

EEN NIEUW DENKBEELD
VAN DOMINE PLANCIUS.

 

„Dominé Plancius thuis?" vroeg een kloek gebouwd zeeman, nadat hij den zwaren klopper op de deur had laten vallen en een sloffende huishoudster hem open had gedaan.[1]

„Gunst, nee, sinjeur, dat treft al heel slecht. De dominé is naar Utrecht en komt niet terug voor morgenmiddag. Wie kan ik zeggen dat er geweest is?"

„Gerrit de Veer, van Zaandam. Ja, 't spijt me verschrikkelijk, dat ik dominé niet thuis tref. Maar enfin, zeg dan maar, dat ik morgen wel eens terug kom. Dag joffer!"

„Dag sinjeur!" En flap! Dicht was de deur weer.

De Veer trad de stoep af, traag, langzaam, als onzeker waar nu heen te gaan. Opeens besloot hij evenwel, de stad maar eens uit te wandelen en naar het ijsvermaak te zien.

De winter namelijk van 1595 op '96 was tot heden heel streng geweest en nu, met zoo'n zonnigen winterdag, wirrelde er op den Amstel, aan den buitenkant van de stad, een bedrijvigheid van belang. Half Amsterdam was stellig uitgetrokken, om zich naar hartelust te vermaken.

  1. Petrus Plancius was een predikant te Amsterdam, beroemd om zijn kennis van zeevaart- en aardrijkskunde.
1
Heemskerck op Nova Zembla