Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/101

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
89
DE ROL DER HONIGKLIERTJES IN DE BLOEMEN.


gesteelde buisjes, die aan haar eene einde open, aan het andere min of meer hoornvormig omgebogen zijn. Dit zijn de honigbakjes, die in den kap tegen regen en wind bijna volkomen beschut zijn. Doch hunne plaats heeft nog een ander grooter belang. De honig is verborgen voor allerlei soort van kleine insekten, die hem zouden verzamelen, zonder de bloem te bestuiven. Slechts voor hommels en bijen is de honig gemakkelijk toegankelijk. Deze zijn daarbij echter gedwongen, over de meeldraden en stempels heen te kruipen en het stuifmeel van de eerste op de laatste over te brengen. Hoe zij zich daarbij moeten bewegen, en hoe door deze beweging de bestuiving volkomen verzekerd is, zal men licht uit onze figuur na kunnen gaan, zoo men daarbij in 't oog houdt, dat de stampers in het midden van de groep van meeldraden liggen, en ongeveer even lang zijn als deze.

Geheel andere organen tot afzondering en verzameling van den honig zijn de sporen, die buisvormige aanhangsels, die bij zoo vele bekende bloemen worden waargenomen. De meeste bloemen hebben elk slechts één spore, b.v. de Viooltjes, de Oostindische kers, de Riddersporen. De akelei heeft er daarentegen vijf aan elke bloem. Soms is het de kelk, die de spore draagt, b.v. bij den Oostindischen kers, soms de bloemkroon, zooals bij de viooltjes. Bij de akelei heeft elk bloemblad een spore, die als een buis aan den voet van het blad verbonden is. Deze buis is alleen van boven open, zoodat de insekten alleen van uit het binnenste der bloem er in kunnen dringen. Aan haar andere uiteinde is de buis gesloten en haakvormig omgebogen. Zoo is het met de Aquilegia's in wilden, natuurlijken toestand. Hoogst eigenaardig is de invloed, die door de cultuur op deze bloemen is uitgeoefend. Er bestaan namelijk zoogenoemde dubbele variëteiten van dit geslacht, die allen kunstprodukten zijn. Bij deze is het aantal bloembladen aanzienlijk toegenomen. In sommige vormen zijn daarbij de sporen geheel verloren gegaan, bij andere slechts bij sommige bloembladen, bij enkele zelfs aan alle bloembladen ontwikkeld. Daarbij zijn nu de bloembladen zoo vóór elkander geplaatst, dat de sporen der binnenste juist in die der buitenste passen, zoodat