Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/31

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
19
BESTUIVING EN BEVRUCHTING.


slijmerigen inhoud. De buitenste huid is stevig en heeft enkele openingen. Door deze openingen dringt de binnenste huid door, en stulpt zich eerst half kogelvormig uit, verlengt zich dan op die plaats voortdurend, en neemt daardoor den vorm eener buis aan. Deze stuifmeelbuis dringt in het weefsel des stempels in, en verlengt zich daar voortdurend. De inhoud van den korrel treedt in deze buis over, en dringt in haar tot het uiteinde toe door, tengevolge daarvan wordt de korrel steeds leeger en leeger. Bereikt de buis een nog aanzienlijker lengte, zoo wordt ook haar bovenste gedeelte weer leeg, daar de inhoud zich altijd zoo dicht mogelijk bij het uiteinde ophoopt. Dan verwelken en verdrogen de leege huiden der stuifmeelkorrels, die nog altijd op de oppervlakte van den stempel liggen.

Fig. 9.

Stuifmeelkorrels met en zonder
de stuifmeelbuis.
Het is belangrijk, de ontwikkeling dezer buizen rechtstreeks waar te nemen. Men kan daartoe de korrels met hunne buizen van den stempel eener bloem afnemen en onder het mikroskoop beschouwen. Veel doelmatiger is het echter, de buizen onder het mikroskoop zelf te laten ontstaan. Hiertoe brengt men de korrels op een glaasje met eenige druppels suikerwater te samen. Hoeveel suiker dit water bevatten mag, hangt van de plantensoort af, welker stuifmeel men onderzoekt. Heeft men de juiste hoeveelheid getroffen, zoo ziet men reeds na eenige uren de buizen te voorschijn komen (fig. 9b), na verloop van langeren tijd bereiken zij den in Fig. 9c afgebeelden toestand.