Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/55

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
43
DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.


het dan later weder door den wind opgejaagd, en de fijne stofwolken hebben een nieuwe kans om ook de stempels te bestuiven.

Bij vele planten komen mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant voor, zooals de berken en eiken ons leeren. Doch deze wensch ik eerst later uitvoerig te bespreken.

Het is hier de plaats met een enkel woord te gewagen van een verdeeling der planten, die op de tot nu toe besproken eigenschappen der meeldraden berust en in de ontwikkeling onzer wetenschap een zeer groote rol gespeeld heeft. Ik bedoel het stelsel van Linnaeus. Men weet dat in Linnaeus' tijd de aandacht der plantkundigen er voornamelijk op gevestigd was, het aantal bekende plantensoorten zoo snel mogelijk te vermeerderen, ten einde een overzicht over den bijna onafzienbaren vormenrijkdom van het plantenrijk te verkrijgen. Meer nog dan de kennis van talrijke soorten, was, voor de erlanging van dit overzicht, een stelselmatige rangschikking der planten een vereischte. Gelijksoortige vormen moesten bij elkander gebracht, ongelijksoortige van elkander gescheiden worden. Men had reeds toen een, wel is waar onduidelijke, voorstelling van de natuurlijke verwantschap der planten, die eerst in de eerste helft dezer eeuw klaar en helder aan het licht getreden is en hare verklaring in Darwin's leer der gemeenschappelijke afstamming aller plantenvormen gevonden heeft. Doch deze vage voorstelling was voor het praktisch gebruik bij het rangschikken van planten-collectiën geheel onvoldoende, gelijk de talrijke pogingen van Linnaeus' voorgangers meer dan genoeg bewezen. Linnaeus hakte den knoop door en verklaarde, dat de kennis der natuurlijke verwantschap der planten, het zoogenoemde natuurlijke stelsel, het doel (wij zouden thans bescheidener zeggen: één der vele doeleinden) der botanische wetenschap was; dat daarentegen de rangschikking van verzamelingen behoorde te geschieden naar een praktisch bruikbaar, en dus kunstmatig stelsel. Dit stelsel bouwde Linnaeus voornamelijk op de eigenschappen der meeldraden, eensdeels wegens de belangrijkheid dezer organen voor het leven der plant, maar vooral omdat zij talrijke en scherp om-