Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/144

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

133

dwaalspoor moeten brengen. Integendeel, de ethiek van Kant en zijn doelleer zijn met zijn kennis-kritiek in lijnrechte tegenspraak, en vormen het zwakste element van zijn wijsgeerigen arbeid. Gelooven, dat wat zich aan ons kenvermogen als het Heelal openbaart, een Doel heeft, in den zin als de mensch zich eenig doel pleegt voor te stellen, is op zichzelf niet onwijsgeerig; elk geloof aan, elk hunkeren naar iets schooners dan wat de werkelijkheid ons biedt, rechtvaardigt inderdaad, in Kantschen zin, het godsdienstig element in het menschenleven, rechtvaardigt tevens de overtuiging, dat de mensch bestemd is steeds naar hooger te zien en te streven. Doch daarop een leer te gronden, zich en anderen trachten voor te spiegelen welk Doel zich achter het Wezen en Zijn verbergt, opdat de mensch, het leven zelf in zijn dagelijksche nieuwe openbaringen voorbijziende, dáárheen streve, hiervoor is thans de tijd voorbij, nu er een nieuwe bewustheid voor den cultuurmensch aanbreekt. Het weten dat het bewustzijn of het denkleven tot dezelfde orde van verschijnselen behoort als het allerprimitiefst reageeren op een prikkel van het laagst georganiseerde eencellige wezen, dit weten, deel uitmakend van de evolutietheorie, heeft voor altijd het profetendom opgeheven. Zoo hebben alle groote natuurvorschers in deze eeuw, ieder op hun eigen gebied, de kritische methode van Kant, zij het ook op andere gronden dan hij, bevestigd. Doch tevens werd door hen die denkschakel, met al den eerbied die groote intellectsgewrochten toekomt, in het geestelijk pantheon der menschheid opgeborgen, wijl thans hun onderzoek naar het wezen