Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/39

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

28

schepsel, in wezen gelijk—hoe hoog zijn intellect hem ook verhief—aan alle schepselen in velden en wouden. En juist dit, wel verre van hem te verlagen, bewijst integendeel zijn grootheid, zijn meerderheid, de hooge vlucht van zijn geest. Hij blijft natuurwezen! geworteld in de voorwaarden van zijn bestaan. Maar het geestesleven, uit dat aardbestaan zich ontplooiend, omvat de oneindigheid. Die machtige wiekslag heeft echter niet één individu te danken aan zichzelven, maar aan erfelijkheidsfactoren in verband met de cultuur door de vele menschengeslachten vergaard. Zijn hooge geestelijke vlucht is de resultante van de cultuur van duizendtallen van eeuwen. Die gansche som van opgestapeld cultuurvoedsel wordt in synthetischen vorm aan het kind in onze cultuurlanden gegeven—althans aan het kind in enkele, maatschappelijke sferen. Kreeg het kind van dat cultuurvoedsel niets, dan kreeg het ook niets menschelijks, dan werd het geen mensch in de ideëele beteekenis van dat woord. Een kind bijv. geboren in onze cultuurlanden, dat men van de wieg af, dus reeds als zuigeling, onder de Eskimo's of Vuurlanders of Zuid-Australische negers zou laten grootbrengen, zou geheel en al terugzinken tot de trap van wildheid waarop die rassen staan. De geestelijke eigenschappen, door het kind geërfd van de ouders, zouden in die omgeving van natuurmenschen vormen aannemen, zich ontwikkelen, in verband met zijn milieu. Sterker nog—wanneer men een klein kind van de wieg af in velden en wouden liet verwilderen—gesteld dat in een tropisch klimaat en met het