Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/41

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

30

hun gemis aan onze ingewikkelde maatschappelijke vormen, aan onze cultuur. De allerlaagste menschenrassen hebben, op enkele uitzonderingen na, slechts één ideologisch kenmerk: hun godsdienst, hun geloof aan het ongeziene—dat geloof bij allen geworteld in vrees—vrees voor de natuurmachten, die hen geheel beheerschen omdat zij niet kennen de wetten, waaraan zij gehoorzamen.

Bij de volken, die reeds tot de periode van barbaarschheid zijn gestegen, heeft de bewerking der natuurgaven zich ontwikkeld. Dit doet de arbeidsverdeeling en de meer ingewikkelde maatschappelijke en ideologische vormen ontstaan. Door de arbeidsverdeeling, en het daarmede gepaard gaande ruilverkeer, nadert men tot de beschaving.

Engels, op het voetspoor van Morgan, neemt de volgende indeeling aan:

Tijdperk van wildheid: dat van het zich toeeigenen van gereed zijnde natuurvoortbrengselen. Wat door menschen vervaardigd wordt, zijn slechts werktuigen om die natuurvoortbrengselen te kunnen bemachtigen.

Tijdperk van barbaarschheid: veeteelt en akkerbouw, de ontwikkeling van methoden ter productie door middel van de menschelijke actie.

Beschaving: Tijdperk van de ontwikkeling van een hoogeren vorm van productie, industrie en kunst.

Gaan wij nu de grondbeginselen na van de moderne evolutie-theorie, volgen wij aan de hand van Darwin de reeds vermelde ontwikkelingslijn van zijn eersten oorsprong af, d.w.z. van de laagste organismen af