Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/43

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

II.

Alvorens nader op de Darwinistische en Marxistische theorieën in te gaan, is het, ter voorkoming van de gewone woords- en begripsverwarring niet overbodig, bij het eenheidsbegrip, dat later vooral door Haeckel[1] zeer schoon is uitgewerkt, kortelijk stil te staan.

Het is, zooals de ervaring dagelijks bewijst, slechts weinigen leeken of half-leeken op natuurwetenschappelijk gebied gegeven, deze grondgedachte van de moderne evolutie-theorie: het absoluut één zijn van organisme en geest—of om met de theologen te spreken van lichaam en ziel—in hare waarachtige beteekenis op te vatten en te verwerken. Vandaar het aanhoudend struikelen over het woord "materie" of "materialistisch", waarbij steeds uit het oog wordt verloren, dat dergelijke termen veelal zeer gebrekkige hulpmiddelen zijn om onze gedachten uit te drukken. Hier kan gelden de bekende uitspraak van Spencer in

  1. "Der Monismus als Band zwischen Religion und Wissenschaft", 1892.
     "Die Welträthsel" Studiën über Monistische Philosophie, 1900.