Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/58

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

47

Eenige hoofdstukken wijdt Darwin aan de bijen, aantoonend hoe er vele graden van arbeidsbekwaamheid bestaan tusschen de verschillende bijensoorten. Hem hierbij op den voet te volgen, zou ons te ver leiden. Stippen wij slechts aan, dat hij telkens door voorbeelden, en ingevolge tallooze proeven door hem met ontwikkelde honigbijen genomen, bewijst dat geringe wijzigingen van instinct werden te voorschijn geroepen door veranderingen in de levensvoorwaarden.

"Op die wijze kan het verwonderlijk instinct van de honingbij worden verklaard, namelijk doordat de natuurlijke teeltkeus gebruik heeft gemaakt van tallooze opvolgende geringe wijzigingen van een minder volmaakt instinct. De beweegreden van de natuurlijke teeltkeus tot dat alles is niets anders geweest dan het besparen van was. Die zwerm welke de geringste hoeveelheid was noodig had, en dus de grootste hoeveelheid honig kon bijeenbrengen en bewaren, was natuurlijk het voorspoedigst en heeft zijn nieuw verkregen instinct om was te besparen, overgebracht op jonge zwermen[1], welke op hun beurt wederom de beste kans zullen hebben gehad, om den bestaansstrijd met goed gevolg te voeren."

Zoo ook krijgen gevangen en tam gemaakte dieren,

  1. Voor diegenen onder de lezers die wellicht over de onderzoekingen van Weissmann gelezen of er van gehoord hebben, zij hier opgemerkt, dat Darwin hier geenszins bedoelt de eenvoudige overerving van verkregen eigenschappen, maar het ontwikkelingsproces op geheel andere wijze verklaart.