Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/82

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

71

natuurvoortbrengselen, welke "stoffelijke" dingen, door hun volstrekt determineerende werking op het geestelijk leven of het ideëenleven, den vooruitgang bepalen.

Geen machtiger bewijs voor de eenheid in wezen van de natuurverschijnselen, dan deze ontwikkeling. Na den arbeid van Darwin en Marx en van allen die uit hun school zijn gesproten, kan dan ook een "naïeve stofleer" niet anders meer bestaan dan als een parodiaal getinte hersenschim.

Het nieuw geestesleven, opbloeiend uit de eeuwigdurende economische verwording, wordt aanvankelijk aangegeven of voorbereid door geestelijke variëteiten, zich beter aanpassend dan anderen aan wat de opkomende arbeidvormen, met hun ideologische afschaduwing, eischen. Die individueele geestelijke variëteiten zijn òf wel de wetenschappelijke ontdekkers en uitvinders zelven, òf wel de eene nieuwe geopenbaarde waarheid aanhangende, en zich scherp tegen de oude wereld afteekenende, revolutionair willenden, die te allen tijde feitelijk of ideëel behooren tot de door het arbeidsproces benadeelde klassen, en op een gegeven moment tegen de machthebbende klassen stelling gaan nemen. Die geestelijke variëteiten ontstaan derhalve op den bodem van het altijd vergroeiend economisch leven, worden als het ware te voorschijn geroepen door nieuwe technische krachten, door economische omstanheden, die de verschijningsvormen zijn van het zich langzaam maar gedetermineerd omwentelende in het productieleven.

Evenzoo worden, volgens Darwin, in het natuurleven