Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/98

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

87

"Naarmate," zegt Marx hieromtrent woordelijk.

"het getal der kapitaalmagnaten afneemt, die alle voordeelen van dat tijdperk van sociale evolutie usurpeeren en monopoliseeren, groeit de ellende, de onderdrukking, de slavernij, de vernedering, de uitbuiting maar tevens groeit de tegenstand van de arbeidersklasse die steeds talrijker wordt en zich steeds meer disciplineert en organiseert door de werkingen zelven van de kapitalistische voortbrenging."

En eenige regels hooger over de veel geciteerde "Onteigening der onteigenaars":

"Die onteigening geschiedt door het spel der immanente wetten van de kapitalistische productie, die leidt tot de centralisatie der kapitalen....

"De kapitalistische productie wekt ten leven haar eigen negatie met die noodwendigheid, die de natuuromwentelingen kenmerkt."

Aangezien Bernstein elk natuurbegrip ontbreekt, spartelt hij hulpeloos tusschen deze en dergelijke volzinnen rond, eindelijk te hulp roepend een "ineenstortingstheorie" en een "verarmings-theorie," om daarna met een zekere energie tegen zijn eigen verzinsels te gaan argumenteeren.

Hij kan zich blijkbaar niet het begrip vormen van een proletarische massa, in alle landen bestaande uit verschillende lagen en sferen, welke aan voortdurende verschuivingen onderhevig zijn.

Uit de kringen van de in 't klein produceerende burgerij en van de neringdoenden heeft door den groei van groothandel en groot-industrie een geregeld afdalen