Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/116

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

108

"Ik geloof dat er geen trek in de beschaving van uw tijd is zoo stuitend voor ons als de verwaarloozing van de afhankelijke klassen. Zelfs als gij geen medelijden, geen broederlijk gevoel hadt, hoe kwam het dat gij niet zaagt dat gij de machtelooze menigte van hun eenvoudigste recht beroofdet door haar onverzorgd te laten?"

—"Dat ben ik niet geheel met u eens," zeide ik. "Ik erken de aanspraken op ons medelijden, maar hoe konden zij die niets voortbrachten, recht hebben op een aandeel in de productie?"

—"Hoe kwam het," vroeg Dr. Leets, "dat uwe producenten meer konden maken dan de wilden? Was dat niet geheel en al het gevolg van de erfenis van kennis en arbeidsproducten, van het samenstel der maatschappij, dat duizende jaren noodig had gehad om te worden, en door u kant en klaar was gevonden op de wereld? Hoe waart gij in het bezit gekomen van deze zaken en van deze kennis, die tienmaal meer waard waren dan wat gij zelf er aan toevoegdet? Gij hadt hen geërfd, niet waar? En waren niet die anderen, die ongelukkige en gebrekkige broeders die gij uitwierpt, uwe mede- erfgenamen? Wat deedt gij met hun aandeel? Was het geen diefstal als gij hen tevreden steldet met een broodkorst, die recht hadden om naast u aan te zitten, en was het geen beleediging voegen bij diefstal, als gij de broodkorst liefdadigheid noemdet?

"O, Mijnheer West." ging Dr. Leete voort, toen ik bleef zwijgen, "wat ik vooral niet begrijp, is, met weglating van alle bedenkingen van recht of van menschenliefde, hoe de werkers van uwe dagen, eenig hart voor hun werk konden hebben, als zij wisten dat hunne kinderen of kindskinderen, als zij tegenspoed zouden ondervinden,