Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/169

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

161

ters kunnen leeren, komen zij zeker dadelijk van de scholen?"

—"Scholen voor rechtsgeleerden hebben wij niet," antwoordde de dokter glimlachende. "Ook recht als een afzonderlijk vak bestaat niet meer. De samengestelde kunstmatigheid van de oude orde van zaken, maakte dat een systeem van haarkloovende geleerdheid noodig was om de wet te verklaren; in den nieuwen staat zijn enkel eenige van de eenvoudigste rechtsbegrippen in gebruik. Alles wat de verhouding van menschen tot elkaar betreft is onvergelijkelijk eenvoudiger nu dan vroeger. Wij zouden voor de diepzinnige deskundigen die in uw rechtszalen het woord voerden, in 't geheel geen plaats hebben. U moet evenwel niet denken dat wij over die oude heeren oneerbiedig denken, al kunnen wij ze niet gebruiken. Wij koesteren integendeel een ongeveinsde bewondering, zelfs een zeker ontzag, voor de mannen die alleen verstonden en verklaren konden de oneindige samengesteldheid van de rechten van den eigendom en de betrekkingen in handel en leven die er uit voortvloeiden. Want wat kan een sterker voorstelling geven van de kunstmatigheid en verwarring die in dit systeem heerschten, dan het feit dat het noodig was, van elk geslacht het puik van het verstand te onthouden aan andere bezigheden, om een lichaam van deskundigen te krijgen ten einde de wetten eenigermate verstaanbaar te maken voor hen wier lot er door beslist werd. De geschriften van de groote juristen staan in onze bibliotheken naast de boeken van Duns Scotus en zijne mede-scholastieken, als merkwaardige proeven van geestelijke verfijning toegepast op onderwerpen, die even weinig met de belangen van het hedendaagsche menschengeslacht hebben te maken. Onze rechters zijn bloot mannen van