Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/78

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

70

—"Als gij uw portie niet opmaakt, zal zij waarschijnlijk aangroeien?"

—"Dat wordt alleen gepermitteerd tot op zekere hoogte wanneer een buitengewone uitgave in het vooruitzicht is. Maar als men geen kennis geeft van het tegendeel, neemt men aan dat de ingezeten die van zijn krediet niet ten volle gebruik maakt, er geen gelegenheid voor heeft, en het overschot wordt gedaan bij het algemeene overschot."

—"Dit is een stelsel dat geen spaarzaamheid bij de burgerij aankweekt," merkte ik op.

—"Daar dient het ook niet voor," was het antwoord.

"De natie is rijk en verlangt niet dat iemand zich het gebruik van iets goeds ontzeggen zal. In uw dagen waren de menschen verplicht geld en goed te sparen voor het geval van toekomstig gebrek en voor hunne kinderen. Deze noodzakelijkheid maakte dat karigheid een deugd werd. Maar nu zou zij zulk een prijzenswaardig doel niet hebben, en met de nuttigheid is ook de lofwaardigheid verdwenen. Niemand kent eenige zorg voor de toekomst, noch voor hem-zelf, noch voor zijn kinderen, want de natie waarborgt het onderhoud, de opvoeding en het welvaren van elken burger, van de wieg tot aan het graf."

—"Hoe kan die dat waarborgen?" zeide ik. "Welke zekerheid heeft men dat de waarde van iemands arbeid de natie zal schadeloos stellen voor hare uitgaven te zijnen behoeve? Over het geheel kan de maatschappij mogelijk al hare leden onderhouden, maar sommigen zullen meer verdienen dan wat zij noodig hebben, en anderen minder. Dit brengt ons terug op de loonquaestie, waarover gij tot nu niet gesproken hebt. Het was juist