Pagina:In de sneeuw.djvu/105

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
103

briëlle zouden zeker goede vriendinnen worden. En wat zijn vader betrof — hij wist immers, dat er nooit een gast hun huis was binnen getreden, zonder oogenblikkelijk door hem te worden bekoord. Zóo ook zou het zijn met Gabriëlle: zij zou tot geheel andere gedachten komen, nu zij een predikant leerde kennen als zijn vader.

Inmiddels was ook zij in halfbewuste droomerijen verzonken, en gaf zich over aan het zalig gevoel hem zoo nabij te zijn.

Het was alreede schemerachtig geworden in het woud. De plechtige stilte, door niets afgebroken dan door het vroolijk geklingel der bellen, verfrischte haren geest, en verdreef geheel de verdrietige en onverschillige stemming, waarin zij den winter had doorgebracht.

Nooit was eenig „seizoen“ in de stad zoo afschuwelijk geweest; en het ergste — hetgeen Gabriëlle het meest beangstigde, als zij aan haar toekomstig leven dacht — was, dat er in werkelijkheid nooit zóoveel leven had geheerscht, nooit zulk een opgewektheid en ijver, dan juist toen. En toch was het zoo — zoo — ja, vervelend was eigenlijk het woord niet, maar