Pagina:In de sneeuw.djvu/111

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
109

luim of vroolijkheid. Hij hield om harentwille stand in eenen kring, waarin hij zich onmogelijk op zijne plaats kon gevoelen, en waar hij in werkelijkheid weinig was gezien. Nooit week hij eene schrede achteruit, maar ook nooit stelde hij zich brutaal op den voorgrond; — hij was er — hij was er altijd.

Nadat Gabriëlle nu eens zóo, dan weer anders, over den candidaat Jürges had gedacht, werd zij hem eindelijk vriendschappelijk gezind — hoewel vrij onverschillig. Inmiddels begon de lente een einde te maken aan de wintervermakelijkheden. Het werd levendig in de straten, tot ver na den middag; het was niet langer aangenaam 's morgens zeer lang in halfwakenden toestand in bed te liggen, en oogjes te wisselen met den rooden gloed van het vuur.

De verandering in levenswijs en gewoonten die de lente met zich bracht, schudde ook Gabriëlle uit de omwindsels wakker, waarin zij zich — tegelijk met haar boos geweten — gedurende den winter had ingewikkeld. Maar toen zij ontdekte, dat al de anderen nog even dom, even pedant, in 't kort, even onmogelijk waren als voorheen, en eigenlijk nog veel slechter, — werd ze wan-