Pagina:In de sneeuw.djvu/136

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

134

venal het wonder der opstanding, waaraan de Christen den hoogmoed en kwaden wil der ongeloovigen kon toetsen. Zij zochten, gepijnigd door een kwaad geweten, troost bij de menschelijke vindingen, die zij „wetenschap" noemden, zij wilden hunne trotsche hoofden niet buigen; zij sloten moedwillig de oogen voor het licht, dat van uit het graf des Heeren op Paaschmorgen was opgegaan, — om den vrijen teugel te kunnen vieren aan zondige hartstochten, tot een wilde orgie der zinnen.

Gabriëlle wist wel, dat er in sommige kerken aldus gesproken, in sommige boeken aldus geleerd werd, maar het was lang geleden sinds zij zulk eene taal had gehoord, en het ontstemde haar, juist heden er naar te moeten luisteren.

Op déze wijze konden zij niet tot elkander worden gebracht, hetgeen anders zoo gemakkelijk zou zijn geweest door de liefde die zij beiden voor Johannes gevoelden.

Gabriëlle was niet van zins het zich zwijgend te laten aanleunen, dat zij uit hoogmoed en kwaden wil geen geloovige wilde zijn. Niemand had het recht, haar hiervan te beschuldigen; en wanneer de man, tot wien zij in zulk eene