Pagina:In de sneeuw.djvu/165

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

163

nogmaals neen, en in alle eeuwigheid, neen!"

Hij had andermaal het pak couranten genomen, en sloeg er nu driftig mee op de tafel. Johannes stond met knikkende knieën voor hem.

„O, spreek zoo niet! — twijfel niet aan mij! Ben ik wankelmoedig, steun me dan, leid me, — gij, die sterk zijt; ga mij voor, ik zal u volgen: alles zal gebeuren, zóo als gij het 't beste oordeelt."

De predikant streek zich over het voorhoofd, en sprak, nu weder met diepe, kalme stem: „Ik twijfel niet aan u, mijn Johannes! maar ik ken den tijdgeest, en zijne gebreken. God zij dank, er is nog geen schade aangericht, en gij zijt nu opmerkzaam gemaakt. Bedenk, dat de listen van den Booze menigvuldig zijn; hij begint met zijn slechten raad op de lippen te leggen der jonge vrouwen; — hij heeft nog nooit een enkelen dag zijne kunsten vergeten."

Johannes liep eenige malen de kamer op en neer, maar nam spoedig weer plaats — nog steeds bevend. Hoe sterk en onversaagd hij ook mocht zijn, iets was er, dat hem „klein" kon maken, de gedachte namelijk, dat hij uit „den kring" kon worden gestooten; dat hij niet lan-