Pagina:In de sneeuw.djvu/98

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd



VII.


Van het laatste station hadden zij nog drie uren te rijden door bosschen, waarin de sneeuw hoog lag opgestapeld, over heidevelden en vlakten, waar de wind de sneeuw had weggevaagd en over wegen, bijna onbruikbaar door tal van kuilen, ontstaan door zon en regen, die hier en daar de sneeuw hadden veranderd in eene drabbige brij.

Zij hadden veel pret gehad, en hartelijk gelachen — Johannes en zijne liefste — over al hunne wederwaardigheden.

Na een tijdlang op een voortreffelijken weg, onder het vroolijk klinken der bellen, te zijn voortgereden, waren ze eensklaps genoodzaakt geworden, in een geleende „stoelkar“ zich te laten voorttrekken over een morsigen gelen kleiweg, met diepe gaten.

Maar op de laatste pleisterplaats vonden zij