Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/97

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

89

 

XXVII.


Akkermannetjes.


Zie, op den mesthoop bij die boerderij ligt een dood vogeltje. Aan de witte en zwarte kleuren, en vooral aan den langen staart, die tijdens het leven van den vogel duizenden malen op en neer bewogen werd, zie je dadelijk, dat het een kwikstaartje is. We willen het diertje van wat naderbij bezien. Ho maar, 't is al te laat! Poes heeft het vogeltje al te pakken, en is reeds druk bezig, het een eerlijk graf in haar maag te bezorgen.

Zoo gaat het. Wanneer men zich afvraagt, waar toch al de vogels blijven, die hun natuurlijken dood sterven, en het zijn er duizenden per dag, dan heeft men niet zoo dadelijk het antwoord gereed; want bijna nimmer vindt men een cadavertje, ook niet in de steden, waar legioenen musschen en ander klein goed verblijf houden. 't Zijn daar vooral de katten, die den afgestorven vogels de laatste eer bewijzen. Dikwijls reeds worden de suffe diertjes al uit hun lijden geholpen, wanneer ze bezig zijn, een donker plaatsje te zoeken, waar ze hun natuurlijk einde zouden kunnen afwachten.

Doch ook op de landerijen ziet men niet dikwijls doode vogels. Daar zijn het de kleine carnivoren en de roofvogels, die zorg dragen, dat de aarde geen Hinnomsdal wordt. Alleen in zee drijven nogal eens vogellijken rond en aan het strand kan men na stormen meermalen vele voorwerpen vinden, hoofdzakelijk van zee-eenden en alkvogels.

We hebben het als een zegen te beschouwen, dat de