Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/148

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


buitenshuis, liefst tusschen in de schaduw staande boomtakken, en voêrt men het gevangen vogeltje met de eijeren van de kruisspin, welke men reeds van half September af, onder de latten van heiningen, tusschen naden van planken muren, en onder dakpannen, bij massa's in een cocon of pluis gewikkeld, kan vinden, en die voor vele insectenetende vogels een uitstekend voedsel opleveren. Het gevangen Goudhaantje zal die gewoonlijk dadelijk nuttigen en met vijf of zes zulke spinnesten daags tevreden zijn. Verdorde bladeren, waarin zich insecten bevinden, pluist hij gaarne uit; daarom werpe men er een handvol van in de kooi: dat geeft den vogel te gelijker tijd eenige bezigheid. Den tweeden of derden dag geve men hem kleine of stukjes, en daarna eenige heele meelwormen, doch zonder de koppen; twaalf groote meelwormen daags zijn voldoende. Indien de vogel het daarmee goed uithoudt en de eerste vier dagen in beweging blijft, kan men de kooi naar binnen of bij huis halen. Men ga nu voort met stukgehakte meelwormen, waaronder eenige fijne broodkruimels gemengd zijn, en langzamerhand brenge men er meer en meer broodkruimels en eijerdojer (hard gekookte) onder, tot dat op 't laatste dit zijn hoofdvoedsel wordt en men de meelwormen slechts nu en dan toedient. Zoolang het meelwormen krijgt, drinkt het vogeltje weinig, maar des te meer zoodra het aan brood en ei gewend is.

Twee dezer vogels zullen bij elkaêr zich beter aan de gevangenschap kunnen gewennen, dan elk afzonderlijk. Voor koude schijnt het Goudhaantje ongevoelig te zijn, doch harden wind kan het niet verduren. In ieder geval vereischt het veel zorg, het levend te houden; maar komt men het eenmaal te boven, dan is er, voor de kooi of volière, zeker geen liever vogeltje, dan het Goudhaantje.