Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/279

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE DISTELVINK.

FRINGILLA CARDUELIS.


De Distelvink, gewoonlijk „Putter" genaamd, is een vinkachtige vogel, die van April tot October, soms nog later, in Nederland wordt aangetroffen.

Men heeft dezen fraai gekleurden vogel „Distelvink" genoemd, omdat hij zich veelal met de zaden der distels voedt, terwijl hij den naam „Putter" te danken heeft aan het hem in de kooi geleerde kunstje, om zijn drinkwater of voedsel op te halen of te putten. In 't voorbijgaan zij hieromtrent aangemerkt, dat zulke kooijen, waarin de vogel gedwongen wordt, op die wijze in zijn onderhoud te voorzien, tegenwoordig bijna geheel uit den smaak geraakt zijn, en dal men ditzelfde kunstje even goed ook aan andere vogels kan leeren, doch daardoor zelden goede zangers verkrijgt.

In den vrijen staat is de Distelvink een levendige, zelfs onrustige vogel, die in het voorjaar gepaard, en in den herfst in troepen van vijf tot zeven stuks trekkende wordt aangetroffen, en zich met allerhande zaden voedt, zoo als met die van sparren- en elzenboomen, van den distel, en van de groote brandnetel, alsmede met jong groen en bladknoppen, met de meeldraden der bloesems en ook met kleine insecten, waarmede hij uitsluitend zijne jongen grootbrengt, die, even als de jongen van alle andere vinkachtige vogels, nimmer met zaden worden gevoerd.

De Distelvink broeit gewoonlijk tweemaal gedurende den zomer: de eerste maal tegen het einde van Mei of het begin van Junij, de tweede maal omstreeks half Julij tot in de eerste weken van Augustus; elk broeisel bestaat meestal uit vier eijeren, lichtgraauw van grondkleur en, vooral aan het stompe einde, met kleine, ongelijke, roodachtige vlekjes bezet, Het kunstig doorvlochten nest, dat gewoonlijk in heesters, gelijk de meidoorn, of in lage vruchtboomen wordt aangetroffen, is half kogelvormig, met gelijke, breede wanden, die uit planten-