Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/295

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE GOUDVINK.

PYRRHULA VULGARIS.


Hel geslacht Pyrrhula wordt in Europa door slechts ééne soort vertegenwoordigd. Er bestaan echter van deze soort twee standvastige rassen, waarvan het groote het minst algemeene is.

Vele vogelliefhebbers meenen, dat de voorwerpen, tot het kleine ras behoorende, de jongen zijn van het groote. Enkele ornithologen daarentegen beschouwen ze als twee afzonderlijke soorten, en noemen den grooten Goudvink P. coccinea en den kleinen P. vulgaris, ofschoon zij in kleur noch levenswijze verschillen.

Het onderscheid tusschen de seksen is bij dezen vogel zeer in 't oog loopend: bij de wijfjes wordt namelijk de roode kleur der onderdeelen door graauw vervangen en is ook het zwart van bovenkop en vleugels minder glanzig. De roode binnenvlag aan de eerste kleine vleugelpen ontbreekt steeds bij de wijfjes, en is bij sommige mannetjes bijna geheel onzigtbaar.

In den natuurstaat is de Goudvink rustig van aard, niet schuw, maar zelfs vertrouwelijk; althans verbergt hij naauwelijks zijn nest. Men treft hem meestal in sombere streken aan, waar dennen groeijen. Hij zoekt bij voorkeur dezen boom, met welks zaden hij zich voedt, en op welks hoogste takken hij de woning voor zijne nakomelingschap bouwt. Het nest is niet groot; de wanden zijn tamelijk dun, doch vast en doorweven; het geheel is half kogelvormig, eenigzins plat en met het geheele ondervlak aan den tak gehecht.

De broeitijd duurt van Mei tot Augustus. Het wijfje legt tweemaal, in Mei en in Julij, drie à vijf eijeren; deze zijn van eene licht blaauwgroene kleur en, vooral aan het stompe einde, van kleine stipjes voorzien.

Terwijl het wijfje broeit, brengt het mannetje haar voedsel. Zij verlaat het nest alleen bij hooge noodzakelijkheid en is dermate aan haar kroost gehecht,