Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/311

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

HET BONTE WEÊUWTJE.

VIDUA SERENA.


Onder den bijnaam „Weêuwtjes" kennen wij eenige West- en Zuid-Afrikaansche vogeltjes, die tot de groote familie der Vinken behooren en om hun langen staart en hunne frissche kleuren als kamervogels zeer gezocht zijn en zeer veel waarde hebben.

De oorsprong van hun zonderlingen Hollandschen naam is denkelijk daaraan toe te schrijven, dat zij in hun vaderland door de Portugezen Whidahs genoemd worden, van welk woord waarschijnlijk de Fransche benaming Veuve en zoo ook de Hollandsche naam „Weêuwtje" ontstaan zijn.

De weinige soorten van dit geslacht bieden onderling wel eenig verschil in vorm van snavel aan. De Vidua serena, b.v., heeft den snavel als de Estrelda's; van de Vidua paradisea gelijkt de bek meer op dien der Euplectes (Oranje-Vinken). Eigenlijk bestaat het kenmerk van dit geslacht hoofdzakelijk in de verlengde staartpennen. Ook die staartpennen bieden onderling veel verschil aan: bij de eene soort zijn zij smal en regt, bij anderen breed, puntig en naar binnen gekromd. Bij alle soorten draagt het mannetje een zomer- of liever prachtkleed; voor het overige zijn zijne kleuren eenvoudig en aan die van het wijfje gelijk.

De Vidua serena, de hierbij afgebeelde soort, bewoont de Westkust van Afrika, waaronder het eiland St. Thomas, waar zij echter zeldzaam is. In sommige streken worden grootere voorwerpen aangetroffen, die echter in kleur geheel met de Kleine of Gewone overeenstemmen en gewoonlijk als Vidua principalis beschreven worden. Eene zwartere en kleinere soort is kortelings in Angola ontdekt; zij komt met de Gewone nagenoeg overeen, doch schijnt meer eene kleinere en donkere variëteit, dan wel eene standvastige soort te zijn.

Het verschil tusschen de seksen is bij deze vogeltjes zeer in het oog vallend,