Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/351

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


vinkachtige vogels beschouwd worden. Er bestaan zeker nog andere, minder bekende namen, en er zullen er nog wel meer geschapen worden, omdat er nog nu en dan nieuwe vormen bekend worden en sommige, onder de liefhebbers reeds bekende soorten nog niet wetenschappelijk beschreven zijn.

Het kleine West-Afrikaansche vogeltje nu, dat gewoonlijk Domino, Kleine Domino of Bandelotje wordt genoemd en met nog eenige soorten het geslacht Spermestes uitmaakt, is in ons land onder de vogelliefhebbers genoeg bekend.

Aan de geheele Westkust van Afrika is het zeer algemeen en wordt in die streken nabij moerassen, in vlakten en op plaatsen, met laag hout begroeid, gevonden. Het leeft gezellig in troepen van zijne soort en met andere vinkachtige vogels. Op het eiland St. Thomas is het meestal te gelijk met de Estrelda cinerea in de grasvelden te vinden. Daar heet het in de Portugesche taal Olha grosse (Grootoog), in de landtaal Sihi rittalle. Op Prinseneiland leeft het even als op St. Thomas, maar meestal in gezelschap van den Wever (Symplectes princeps) en van den Roodkop-Wever (Ploceus erythrops). De Portugezen aldaar noemen het eenvoudig Piquenito (Kleintje), en in den landnaam heet het Siwie-singa. Zoowel Sihi als Siwie beteekent „vogel", terwijl rittalle en singa van het stemgeluid des vogels is afgeleid.

Het mannetje is iets glanziger op den kop en aan de schouderveêren; voor 't overige is het moeijelijk van het wijfje te onderscheiden. Daar het in die gewesten van Afrika altijd groen, eigenlijk altijd zomer is, broeijen deze vogeltjes daar niet in een bepaald jaargetijde, maar treft men ze er steeds broeijende aan. Evenwel broeit ieder paar niet meer dan driemaal 's jaars, en verloopen er tusschen elk broeisel ongeveer zes weken. Alle drie malen broeijen zij in hetzelfde nest, dat tusschen de takken van heesters, lage boomen, zoo als de cacao, en op doode boomtakken aangebragt, geheel uit dunne gedroogde grasstengels vervaardigd wordt, en zoo groot is als dat van den Zanglijster. Het wijfje legt een achttal zeer kleine, geheel witte eijeren, die zij in twaalf dagen uitbroeit.

De jongen worden met kleine, vooral gras-zaden, uit den krop gevoerd; tot aan den eersten rui zijn zij geheel bruin, doch hun snavel bruinzwart.

De geheele familie blijft bij elkaêr tot er een nieuw broeisel aangelegd wordt. Zij rusten dikwijls in doode boomen, op de bovenste takken, en 's nachts slapen zij, digt aaneengesloten, op een en denzelfden tak.

De ouden zijn schuwe, levendige vogeltjes, maar gemakkelijk te vangen, door-