Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/357

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE RIJSTVOGEL.

COCOTHRAUSTES ORYZIVORA.


Deze algemeen bekende, Oost-Indische vogel komt in vorm het meest de Diknekken (Cocothraustes) nabij. Volgens sommige natuurkundigen, behoort hij, met nog eenige andere Oost-Indische vogelsoorten, tot de Loxia' s, volgens anderen tot de Munia's, Amadina's of de Wevers (Ploceus). De Rijstvogel is in de wetenschap onder verschillende benamingen bekend, waarvan de meest gebruikelijke, Padda oryzivora, eigenlijk wel wat al te duidelijk de eigenaardigheid des vogels uitdrukt; want Padda beteekent in de Maleische taal „rijsteter", terwijl oryzivora in 't Latijn juist hetzelfde te kennen geeft: men behoeft er dus waarlijk niet meer aan te twijfelen, of deze vogel zich met rijst voedt.

Het vaderland van den bewusten vogel is Oost-Indië, vooral Java; op sommige plaatsen, zoo als het eiland Réunion, is hij ingevoerd, ten gevolge waarvan men hem ook daar veelvuldig in vrijheid aantreft.

Uiterlijk verschil in kleur tusschen de seksen is bij den Rijstvogel bijna niet op te merken; alleen zijn soms de mannetjes iets zwarter op den bovenkop en aan de bovendekveêren van den staart.

De Rijstvogels broeijen in ruime boomholen, die van een wijden ingang voorzien zijn en zich tien à twintig voet boven den grond bevinden. Het broeisel bestaat gewoonlijk uit vijf à zeven grijsachtig witte eijeren.

De jongen worden met plantaardig voedsel grootgebragt. Zij zijn, bij 't verlaten van het nest, nog geheel donkerbruin, en krijgen eerst van lieverlede hun volmaakt vederkleed; hun bek is aanvankelijk donker en wordt eerst tegen hun tweede jaar rood. Zij blijven meestal nog lang in 't gezelschap van de ouden rondvliegen, met wie zij zich ook op een en denzelfden tak nederzetten, om te rusten. Ook den nacht brengen zij gezellig door, en gewoonlijk kiezen zij tot rust-