Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/383

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE RINGDUIF.

COLUMBA PALUMBUS.


Deze algemeen bekende Duif draagt hier te lande verschillende namen, als: Hout- en Woudduif, omdat zij in de boomen leeft; Boschduif, omdat wij haar ook in de bosschen aantreffen; Koolduif, doordien zij, vooral 's winters, in moes- of koollanden wordt gezien. De officiële naam „Ringduif" is ten gevolge der witte nekvlak ontstaan. Het aantal verschillende benamingen bewijst genoeg hoe algemeen bekend deze soort moet zijn.

In de wetenschap kennen wij haar ook onder den nieuweren, minder bekenden titel: Palumbus torquatus, omdat deze met eenige andere soorten een ondergeslacht der groote Duiven-familie vormt.

De Ringduif is over geheel Europa verspreid en overal zeer algemeen; zij wordt ook in Madeira en in Klein-Azië aangetroffen, doch is nergens zoo talrijk als in Frankrijk. Hier te lande vinden wij haar in tuinen, bosschen en in de boomen der steden, en 's winters dikwijls in moeslanden.

Ofschoon de Ringduiven trekvogels zijn, blijven er toch 's winters altijd eenigen over, en deze komen later in en nabij de steden om te broeijen, terwijl die, welke uit warmere streken terugkomen, meer in de bosschen en in tuinen nestelen.

Het mannetje (de Doffer) is van het wijfje (de Duif) niet te onderscheiden, dan alleen door zijn min of meer langeren bek en zwaarderen kop. Alleen van zeer nabij, en dan nog zeer moeijelijk, is dit onderscheid op te merken, hoewel sommigen beweren, dat bij de Duif de nekvlak en het wit langs den vleugel smaller zijn. Aan het stemgeluid kan men de seksen beter van elkaêr onderscheiden; doch deze vogels koeren weinig, en bij regenachtig weder in 't geheel niet, zoodat men niet spoedig te weten komt, welke van het paar de Doffer of de Duif is.

De meeste paren broeijen tweemaal 's jaars; de eenjarige vogels, vooral die