Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/413

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


de geheele schaal bedekken, en zoo digt op elkander staan, dat het ei, op eenigen afstand gezien, geheel roestrood schijnt.

Men laat het broeijen niet aan de Hen zelve, maar aan Krielkippen over, en wel omdat de Haan dikwijls het nest vernielt, of, door overgroote natuurdrift, de Hen niet in vrede laat broeijen.

De jongen, die na ongeveer drie weken broeijens uitkomen, zijn bijzonder klein: hun ligchaam is niet grooter dan eene hazelnoot; evenwel kunnen zij reeds weinige oogenblikken na de geboorte loopen. Zij hebben aanvankelijk eene geelachtige tint met donkere strepen langs den rug, en krijgen vervolgens hetzelfde vederkleed als hunne moeder. De jonge Hanen krijgen eerst in het volgende jaar de volkomen kuif, alsmede de zwarte kleur aan nek en wangen.

Men geeft dezen vogel in de kooi boekweit, havergort, brood en eenig groen, zoo als koolbladeren, en in het voorjaar wat hennepzaad; de jongen moeten veel miereneijeren en later meelwormen eten, willen zij groot kunnen worden; want bij gemis aan insecten-voeder sterven zij spoedig of blijven zij klein en ziekelijk.

De Californië-Patrijzen verschillen onderling dikwijls in grootte en in helderheid van kleur, hetgeen toe te schrijven is aan de wijze, waarop de vogel gehouden wordt; de gezonde voorwerpen zullen steeds grooter en fraaijer van kleur zijn, dan die, welke, onder minder goede omstandigheden grootgebragt of gehouden, ziekelijk zijn. Andere variëteiten in kleur worden voor 't overige bij dezen vogel zelden aangetroffen.