Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/420

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Onze Patrijs leeft gepaard en vliegt vóór en na den broeitijd in troepen. Hij wordt hier te lande ook broeijende, maar nog meer op den najaarstrek aangetroffen. De Haan onderscheidt zich van zijn wijfje (de Hen), door eene donkerbruine vlek op de borst; voor 't overige hebben beiden steeds dezelfde kleuren, doch zijn, vooral de Hanen, des zomers iets fraaijer of helderder gekleurd.

De jongen krijgen hunne kleuren reeds binnen het jaar, en de donkere vlek is bij de jonge mannetjes reeds in hetzelfde najaar op te merken; de jongen zijn, wanneer zij in den herfst reeds hunne kleuren hebben, nogtans kleiner dan de ouden.

De paartijd der Patrijzen duurt in ons land van Maart tot April. Er hebben dikwijls hevige gevechten onder de Hanen plaats, te meer daar hun aantal steeds dat der Hennen overtreft. Om dezelfde reden worden ook na den paartijd nog veelal Hanen, die reeds broeijende Hennen hebben, door hunne ongepaard gebleven geslachtsgenooten aangevallen; ook worden dikwijls gepaarde en broeijende Hennen overmeesterd, wanneer haar echtgenoot afwezig is. Vandaar waarschijnlijk de meening, dat de Patrijzen in polygamie leven. Men heeft echter waargenomen, dat gepaarde Patrijzen dikwijls zoo lang bij elkander blijven, tot een van beiden sterft.

De eigenlijke broeiplaatsen dezer vogels zijn zanderige heidevlakten en heuvelachtige weiden in 't Zuiden van Frankrijk. Bij ons broeit zij alleen in de droogere streken. In Schotland vindt men vele broeijende Patrijzen op de bergen en in de roggevelden. In die landen, waar zij menigvuldig voorttelen, zijn het ook meestal standvogels, terwijl de onzen in het najaar ronddolen en zuidelijk tot Frankrijk trekken.

De broeitijd duurt van Mei tot Junij; het wijfje legt ongeveer twaalf grijsachtige eijeren in een kunsteloos nest, dat in eene of andere holte in den grond wordt aangebragt en uit grashalmen bestaat. In twintig à twee en twintig dagen broeit de Hen de eijeren uit.

De jongen zijn in hun donskleed fraai geelbruin met donkere streepjes over den rug; zij loopen reeds denzelfden dag, waarop zij uit het ei te voorschijn zijn gekomen, en verschuilen zich bij naderend gevaar onder de vleugelen der moeder. Even als de meeste jonge vogels, die spoedig in hun eigen onderhoud voorzien, loopen de jonge Patrijsjes steeds in de nabijheid der ouden, door wie hun het voedsel, wanneer zij het voorbijloopen, wordt aangewezen. Het is een zeer aardig gezigt, zulk