Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/469

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Een verwant ras, dat dikwijls met de Zilverbonten vermengd wordt, en dat wij tot verduidelijking Zilverlaken-Hoenders zullen noemen, heeft tot kenmerk, dat bij den Haan zoowel als bij de Hen de zwarte vlekken kleiner en smaller, meer overdwarsche streepjes zijn, en dat bij den Haan het zwart aan nek en stuit smaller is en zich op een kleiner aantal veêren vertoont.

Men kan beide rassen het best van elkander onderscheiden door de evenredigheden der grootte van de twee rassen; bij de Zilverbonten zijn namelijk de Hennen in verhouding tot den Haan groot, bij de Zilverlakens daarentegen klein; met andere woorden: de Hennen van het eerste ras zijn grooter dan die van het tweede, maar de Hanen van het eerste kleiner dan die van het tweede (de Zilverlakens), welke laatste soort zich ook vooral door hoogere pooten onderscheidt.

Ook de Zilverlakens brengen Hanen voort, die de kleuren der Hennen vertoonen, en beide rassen hebben, wat hunne levenswijze betreft, veel overeenkomst, hoewel het twee zeer gekenmerkte, standvastige rassen zijn.

Een derde hoenderras, welks naam meer algemeen bekend is, zijn de Zilverpellen; velen worden echter ten onregte voor echt gehouden, terwijl zij slechts uit kruisingen van Witte Hoenders met Zilverbonten en Zilverlakens of met echte Pellen ontstaan zijn. Zoo merken wij onder deze Hoenders dikwijls voorwerpen (Hennen) op, die meer zwart aan het ligchaam hebben en grooter zijn dan andere, die onder denzelfden naam bekend staan. Deze zijn uit kruisingen van Zilverbonten of Zilverlakens met Zilverpellen voortgesproten.

De echte Pellen zijn aan de volgende kenmerken te onderscheiden: de Haan klein, met zwaren kam, tamelijk groot oog, naar achter gebogen nek en hoog opstaanden staart; hoofdkleuren glanzig wit, meer of min met gelen weerschijn aan nek- en stuitvederen; geen zwart aan de vederen, dan alleen de lange, zeisvormige staartdekveêren (zoogenaamde staart), die geheel zwart met metaalglans zijn. Deze Haan is levendig, kraait gestadig, heeft een trotschen gang, kijkt ernstig en is zeer dapper. De Hen heeft een kleineren, doch dubbelen kam, en zeer kleine baarden; wangen en kam, even als die van den Haan, karmijnrood, en de oorstreek wit; nek wit; het overige ligchaam met kleine, smalle, zwarte, overdwarsche strepen aan de vederen; pooten, even als die van den Haan, grijs.

Deze meer algemeene, maar steeds gezochte Zilverpellen hebben, om de kleine, doch zeer fijne eijeren, de voorkeur boven vele andere rassen. Broeisters zijn het echter minder, zoodat men gewoonlijk het uitbroeijen aan andere Hennen overlaat.