Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/475

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE ZWARTE POOLSCHE HAAN.

GALLUS DOMESTICUS.


Poolsche Hoenders behooren tot een zeer oud ras, ofschoon zij hier te lande nog niet zoo lang schijnen ingevoerd te zijn. Hetzelfde is met vele Hoenderrassen het geval; hetgeen in andere landen algemeen is, moet in ons Nederland, dikwijls zeldzaam of nieuw toeschijnen. Dit is te wijten aan ons klimaat, en vooral aan onzen vochtigen grond, waarop weinig Hoenders het lang kunnen uithouden. Vandaar dat vele der bij ons ingevoerde rassen al kwijnende te niet gaan, of niet gezocht zijn, omdat men vooruit weet, dat zij den houder weinig voordeel zullen aanbrengen. Dit geldt vooral de zoogenaamde „Poolsche"; want, wil men er voordeel of genoegen van trekken, dan dienen zij op een droogen zandgrond te leven; daarom ook kunnen zij in slechts enkele streken van Nederland tieren.

Hoe en wanneer deze Hoenders ontstaan zijn, is den geleerden en liefhebbers nog niet met zekerheid bekend; reeds Aldrovandus beschreef Hoenders met kuiven. Dat zij niet van den stamvader Gallus ferrugineus voortgekomen, maar als zelfstandige soort in den natuurstaat zouden aangetroffen zijn, is wel eens ondersteld, zelfs door sommigen aangevoerd, maar niet aan te nemen; want kuiven bij Hoenders zijn niets meer dan kuiven bij Kanarievogels (welke vogels, naar men weet, oorspronkelijk niet het minste teeken daarvan bezitten).

Het meest opmerkenswaardige der meeste Kuifhoenders is, dat niet alleen de bovenkop van verlengde veêren is voorzien, maar dat ook de schedel veel verhevener is, dan die van eenigen anderen hoenderachtigen vogel. Bovenop de kruin bevindt zich een beenachtig uitwas, of liever, eene vrij aanmerkelijke verhevenheid van de hersenpan; reeds daardoor zouden deze Hoenders, al hadden zij ook op de huid van den bovenkop geene zulke lange vederen, niettemin een kuifachtig voor-