Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/491

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE HOUTSNIP.

SCOLOPAX RUSTICOLA.


De Snippen zijn nachtdieren; hare kleuren komen dan ook in menig opzigt met die van vele nachtvogels, zoo als Uilen en Geitenmelkers (Caprimulgus), overeen.

In Nederland kennen wij vier soorten van Snippen, namelijk: 1°. de Watersnip, 2°. de Poelsnip, 3°. de Dwergsnip of het Bokje, en 4°. de Houtsnip. Deze laatste, de meest bekende en grootste, onderscheidt zich van hare soortgenooten door het plompe van hare gestalte en door de kortere, tot aan de hakken van vederen voorziene pooten. Het wijfje (de Hen) verschilt alleen hierin van het mannetje (den Haan), dat bij haar de eerste vleugelpen lichter is gekleurd en de zaagswijze teekening meer in eene ongelijke streek langs de schacht overgaat.

Bij dag, en voornamelijk bij helder weder, houdt de Houtsnip zich in boschrijke streken, op vochtigen, beschaduwden grond op, en toeft bij voorkeur nabij zware boomen, ten einde zich, bij naderend gevaar, tusschen de kloven van het ondergedeelte van den stam te kunnen verbergen. Gewoonlijk loopt zij bedaard en voorzigtig, en drukt zich bij het minste geritsel tegen den grond; het grootste gedeelte van den dag brengt zij slapende of op den grond zittende door. Bij donker, regenachtig weder komt zij echter wel eens in vlakten langs de zoomen van het bosch te voorschijn en is dan schier den geheelen dag in beweging.

Haar voedsel bestaat uit allerlei aard-insecten (behalve groote kevers), alsmede uit slakken en wormen, welke zij met haar langen en buigzamen snavel, die haar als tastwerktuig dient, zeer behendig uit den grond weet te halen: zij boort namelijk eenige duimen diep in den weeken grond of onder de afgevallen bladeren en vindt dan de daaronder aanwezige insecten op 't gevoel. Bek en pooten, die zij daardoor vuil heeft gemaakt, wascht zij in den vroegen ochtend weer af;