Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/147

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE TAPUIT.

SAXICOLA ŒNANTHE.


De Tapuit, dien wij reeds vroeger hebben vermeld, bewoont de gematigde streken van Europa beneden Lapland, tot aan Alpen en Pyreneën; ten Zuiden daarvan wordt hij door S. aurita en S. stapazina vervangen. Men treft hem ook in de gematigde streken van Azië en in Noord-Afrika aan. In de koudere streken behoort hij tot de trekvogels, in de warmere daarentegen tot de standvogels. Velen trekken verder zuidwaarts, dan die landen, van waar hunne daar inheemsche soortgenooten niet verhuizen; zoo b.v. verschijnen er omstreeks September en October vele in Egypte, terwijl de in Spanje en Zuid-Frankrijk levende voorwerpen niet wegtrekken. Op de eilanden van den Levant zijn zij volgens Sonnini gedurende alle jaargetijden te vinden, gelijk ook R. B. Tristam ze als zoodanig op den berg Carmel in Palestina vermeldt, terwijl zij door denzelfden schrijver in het Zuiden van Palestina alleen op den trek zijn waargenomen.

Eene verwante soort, S. leucomela, in Noord-Rusland te huis behoorende onderneemt jaarlijks geregeld togten naar het Zuiden, doch trekt in eene zuid-oostelijke rigting en komt dus nooit hier te lande.

De Gewone Tapuit bezoekt ons reeds vroeg in het voorjaar en vertrekt omstreeks half September. Men ziet hem meestal op den grond, voornamelijk in drooge vlakten of in de duinen, waar zijn nest soms in konijnenholen te vinden is. Hij loopt schielijk en met plotseling afgebroken schreden, even als een Strandlooper of Plevier, beurtelings vooruitschietende en stilstaande. Aan zijne bewegingen is hij reeds van verre te herkennen; ook zijn witte romp verraadt hem spoedig. Onder het loopen houdt hij den staart gewoonlijk opgerigt; doch naauwelijks staat hij, of hij wipt dien langzaam op en neêr, gelijk de Nachtegaal. In zijne beweging heeft hij iets sierlijks, nets en afgemetens; bij het rusten op takken spreidt hij de