Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/213

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


van gelijke grootte als die van Mot. alba, maar spitser, en grijsachtig van grondkleur met okergele vlekken, die hier en daar door het grijze als heênvloeijen, of er mede gemarmerd zijn; eenige kleine, donkergraauwe stipjes en soms streepjes zijn over het geheel verspreid. Het wijfje broeit dertien à veertien dagen, en, even als bij de Gewone soort, zijn de jongen reeds spoedig in staat het nest te verlaten. Volgens Dr. A.E. Brehm moeten zij dit reeds op hun veertienden dag kunnen doen; nu is het waar, dat jonge Kwikstaarten reeds het nest verlaten en behendig wegloopen vóórdat ze nog in de veêren zitten; maar toch komt mij dat emanciperen reeds op den veertienden dag wel wat heel vroeg voor; immers kunnen jonge Leeuwerikken eerst met hun achttienden of twintigsten dag loopen, en toch zijn de Leeuwerikken niets minder vlug dan de Kwikstaarten. Niettemin is Brehm overigens zeer juist in zijne waarnemingen, en niet minder juist en geestig in zijne beschrijvingen.

De jonge voorwerpen worden met allerlei kleine water- en land-insecten grootgebragt. In de wijze van het voedsel te vangen en de jongen te voeren, alsmede in de keuze van het voedsel der ouden, komt deze soort in alle opzigten de Gewone of Witte zeer nabij. Het stemgeluid van dezen vogel bestaat uit dezelfde toonen als die der beide overige soorten, en men zou eigenlijk kunnen zeggen, dat dezelfde strophen door Mot. alba gerekt en duidelijk, door Mot. flava schielijk en scherp, en door Mot. sulphurea bedaard en krachtig worden uitgedrukt. In sommige opzigten heeft laatstgenoemde Kwikstaart echter nog iets bijzonders, namelijk een stootend helder geluid, als: „fu-ienk, wiechiechie-tjirrrt", dat men meestal verneemt, als hij in het najaar in de boomen zit, even vóórdat hij opvliegt.

In hunne wijze van bewegen komen deze vogels geheel met de Gewone of Witte soort overeen; zij trippelen even behendig als deze van den eenen steen op den anderen, schieten over den vlakken grond op eens pijlsnel vooruit, en vangen muggen in de vlugt langs den grond. Zij zijn zeer levendig en onrustig van aard, niet twistziek, maar toch groote levenmakers, vooral wanneer zij een Koekoek of roofvogel zien. Volgens Brehm worden vele broeisels door den Koekoek vernield, en vele jongen, bij hevige regens, door het water der beken verzwolgen, dikwijls ook door Katten, Marters, Bunsings en Ratten, of door Kraaijen en Eksters geroofd.

Men kan deze vogels in de kooi houden, mits die ruim en op gelijke wijze als voor de Gewone soort is ingerigt; men geve hun hetzelfde voêr als aan deze