Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/41

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


eenkomst met het mannetje van den Torenvalk (F. tinnunculus); in zijn zomerkleed daarentegen gelijkt hij op den Sperwer (Nisus fringillarius). De jonge Koekoeken zijn, in hun eerste levensjaar, geheel bruinachtig, met overdwarsche, donkere banden; na den eersten rui worden zij blanker aan de onderdeelen en komen dan met het oude wijfje overeen.

Dat men den Koekoek dikwijls voor een Sperwer heeft gehouden, is een gevolg van de kleuren, welke hij met de zoo even genoemde vogels gemeen heeft; dat men hem, in zijn onvolkomen gevederte, echter niet voor den Torenvalk aanziet, is dááraan toe te schrijven, dat ook de Torenvalk over 't algemeen weder voor een Sperwer gehouden, of veelal onder dien naam aangeduid wordt.

Er zijn misschien weinig vogels, waarover zoo veel geschreven is, als over den Koekoek. Steeds heeft men gemeend; de reden te kunnen vinden, waarom de Koekoek zijne eijeren niet zelf uitbroeit. De meeningen daaromtrent, te menigvuldig om ze hier allen op te sommen, loopen zeer verre uiteen, doch niet ééne heeft men tot dusverre met bewijzen kunnen staven. Bij enkele dezer meeningen, en wel de meest algemeen aangenomene, willen we hier een oogenblik stilstaan. Eenigen dan beweren, dat het Koekoekswijfje dáárom hare eijeren niet zelve kan uitbroeijen, omdat het borstbeen bij de Koekoeken meer vooruitsteekt en scherper is, dan bij de meeste andere vogels. Wij kunnen echter die stelling niet aannemen, aangezien bij het broeijen der vogels het borstbeen niet met de eijeren in aanraking komt, daar de eijeren aan weêrszijde en voor de borst worden geschoven en zoo aan de warmte van het ligchaam des broeijenden vogels zijn blootgesteld. Eene andere bewering ter verklaring van het hier bedoelde verschijnsel is, dat het Koekoekswijfje slechts bij groote tusschenpoozen hare eijeren legt en dat, aangezien zij op die wijze p.m. acht eijeren in één zomer voortbrengt, zij geen gelegenheid heeft om ieder ei afzonderlijk of allen gelijktijdig uit te broeijen en het jong, of de jongen, groot te brengen. Aan deze meening kunnen wij geene andere waarde hechten, dan dat zij het feit citeert. De oorzaak, wáárom het eene ei zoolang na het andere wordt gelegd, verklaart zij niet.

Sommigen wederom gelooven, dat, aangezien er van deze vogels meer mannetjes dan wijfjes bestaan, ten gevolge waarvan zij in polyandrie leven, de mannetjes onophoudelijk elk wijfje zouden overvallen, terwijl dit aan 't broeijen was; daardoor zouden de eijeren breken of verwaarloosd worden; ook zou het broeijende wijfje, indien het op nieuw bevrucht werd, het eene broeisel