Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/57

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


na, welke zij in boomholen en rotskloven en onder wortels van boomen aanleggen, en waarin zij eikels, allerlei noten en pitten, kevers, slakken enz. bergen.

Uit een anatomisch onderzoek is gebleken, dat bij deze vogels een keelzak aanwezig is, die door eene verwijding van den slokdarm gevormd wordt en zoo wijd is, dat zij er wel acht eikels in kunnen bergen. Deze eigenaardigheid komt hun bij het verzamelen van voorraad natuurlijk zeer van pas, en men heeft dan ook waargenomen, dat een paar Notenkrakers op één dag ruim tweehonderd stuks voorwerpen, ter grootte van een hazelnoot, tusschen een rotskloof hadden verborgen. Het schijnt echter, dat er in sommige jaren niet genoeg voedsel voorhanden is, om daarvan ook nog een toereikenden wintervoorraad te verzamelen, en dat zij in zoodanig geval hun vaderland verlaten en onze gewesten komen opzoeken; is dit waar, dan zouden wij, indien er slechts weinig dezer vogels tot ons overkomen, daaruit kunnen opmaken, dat in het Noorden de zomer zeer vruchtbaar is geweest. Sommigen willen uit het verschijnen der Notenkrakers eene strenge koude voorspellen; doch ook deze voorspelling is gebleken al even ongegrond te zijn, als die omtrent het verschijnen der Pestvogels. In elk geval is het zeer opmerkelijk, dat de Notenkrakers, bij zulk eene verhuizing, sommige landen bijna in het geheel niet bezoeken; althans heeft men in Engeland dien vogel slechts enkele malen waargenomen.

Het stemgeluid dezer vogels heeft eenige overeenkomst met dat van den Vlaamschen Gaai; maar hun zangtalent is al evenmin ontwikkeld, als dat der overige Kraaijachtige vogels.

De Notenkrakers kunnen zich zeer goed aan de gevangenschap gewennen; zij worden in hun vaderland dan ook veel in kooijen gezien, en men leert hun allerhande woorden klappen. In gevangenschap geve men hun stukjes vleesch, aardwormen, brood, noten of eikels; voor 't overige schijnt zij ook alles te nuttigen, wat den mensch tot voedsel strekt.