Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/76

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

S. Krueperi de gewone soorten zeer nabij en zijn alleen iets duidelijker en helderder gekleurd. Men vindt dit vogelgeslacht in Europa, Noord-Afrika, Azië, Australië en Noord-Amerika vertegenwoordigd, terwijl de Gewone soort meer bijzonder in de gematigde en Westelijke streken van Europa te huis behoort.

Mannetje en wijfje dragen hetzelfde vederkleed; het fraaijere of het graauwe van het gevederte duidt dus bij dezen vogel niet het verschil van sekse aan; wel daarentegen het verschil van jaargetijde, vermits die voorwerpen, welke juist van veêren hebben verwisseld, veel blanker en schooner zijn, dan hunne soortgenooten vóór den ruitijd. Het wijfje echter heeft een aanmerkelijk korteren snavel.

De jongen hebben nagenoeg dezelfde kleuren als de ouden, doch zien er bijzonder net uit; het grijs op den rug is bij hen meer een zacht zilvergrijs; hunne onderdeelen zijn zacht glanzig wit, terwijl de rosse kleur der zijden en verdere onderdeelen bij hen gedeeltelijk ontbreekt, althans veel lichter is dan bij de ouden. Bij het verlaten van het nest zijn zij veel kleiner en slanker dan de volwassen voorwerpen.

Het nest ligt in een boomgat, meestal in dat van een ouden of gedeeltelijk vermolmden boomstam, en is uit worteltjes en doode bladeren zamengesteld.

De eijeren, die door beide ouden bebroeid worden, zijn wit met rosse vlekken en gelijken op die der Mees, doch zijn, even als de vlekken, grooter.

Zeer zelden betrekt het ouderpaar eene woning, zonder deze aan reparatie te onderwerpen. Is het gat te naauw, dan hakken zij onvermoeid, totdat het zijne behoorlijke wijdte verkregen heeft; is het te wijd, dan pleisteren zij er slijk rondom, totdat er niet meer ruimte overschiet, dan noodig is om hen door te laten. Zij bekleeden dus onder de vogels gelijktijdig het ambt van timmerman en van metselaar, en vooral in het eerste vak zijn zij zeer ervaren. Ofschoon niet zoo degelijk toegerust als de Spechten, hakken en hameren zij toch even onvermoeid, en door hunne volharding in den arbeid komen zij even ver als de Spechten die met sterker gereedschap werken. Hun snavel is niet zoo beitelachtig scherp als die der Spechten, doch even spits; zij splijten niet, doch splinteren. Daar zij tot mijne geliefkoosde kooivogels behooren, heb ik er steeds een of meer in mijne nabijheid, en een zeer fraai voorwerp vliegt, terwijl ik dit schrijf, door de kamer rond. De lust om in eene kooi te leven is bij hem geheel voorbij. Reeds van drie houten kooijen heeft hij de wallen doorboord, altijd met het hout aan de traliezijde beginnende; gewoonlijk splinterde hij van 's ochtends vroeg tot in den na-