Pagina:Keulemans Onze vogels 3 (1876).djvu/241

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE GEELVINK.

SERINUS HORTULANUS.


Geelvinken zijn, vooral wegens hunne kleuren, als eene op zichzelf staande groep of afdeeling onder de vinkachtige vogels te beschouwen. Zij naderen, wat hun vorm betreft, de Kneuen (Linota); doch sommigen hebben, door hun zwaarderen snavel, meer overeenkomst met de Goudvinken (Pyrrhula); bij anderen, zoo als de in warme gewesten levende soorten, is de snavel spitser en zijn de kleuren fraaijer en meer duidelijk afgezet. Tot deze groep behoort ook de algemeen bekende Kanarievogel, die in den natuurstaat de hier afgebeelde Europesche soort zeer nabijkomt.

De Europesche Geelvink wordt in Duitschland gewoonlijk Girlitz, ook Kanarienzeisig genoemd. In Italië kent men hem als Serina, in Frankrijk als Le Serin. Bij ons wordt hij meestal onder den naam van Europeschen Kanarie of Citroenvink ingevoerd.

Hij bewoont Midden- en Zuid-Europa, vooral Spanje, voorts Klein-Azië en het noordelijkst gedeelte van Afrika, namelijk de kuststreken der Middellandsche zee. In Nederland en België is hij nog niet waargenomen; daar men hem echter herhaaldelijk in Engeland gevangen en geschoten heeft, is het zeer wel mogelijk, dat hij ook ons land bezoekt, maar hier voor een Sijsje wordt aangezien: eene vergissing, welke trouwens, wegens zijne kleuren, allezins verklaarbaar is.

Bijgaande afbeelding stelt het mannetje voor. Het wijfje heeft fletser kleuren en is, even als het wijfje van het Sijsje, over het geheele ligchaam gestreept; ook is zij een weinig kleiner. De jongen zijn veel lichter van kleur, doch hebben donkerder strepen.

De Geelvink bouwt een zeer kunstig, half kogelvormig nestje in de bovenste takken van lage boomen of in de heesters der groote tuinen; in Spanje vooral