Pagina:Keulemans Onze vogels 3 (1876).djvu/320

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


eerst niet worden tentoongesteld, doch eerst in den eerstvolgenden zomer (altoos zoo ze in 't leven blijven) hunne intrede bij de fazanthouders doen. Of er ook bastaarden van Goudlaken-Hanen met Amherst-Hennen zijn geteeld, is mij niet met zekerheid bekend; kweekers houden, met het uitzigt op grootere winst en zekerder succes, dergelijke nieuwigheden meestal geheim; toch meen ik te mogen onderstellen, dat zeker groot heer in Engeland er reeds eenige in verzekerde bewaring houdt.

Eenigen tijd geleden las ik eene korte verhandeling over deze vogels in het Engelsch weekblad „The Field”, van de hand van den welbekenden fazantenkweeker, mr. Tegetmeier, die daarin o. a. de meening verkondigt, dat deze voor een oppervlakkig beschouwer zoo zeer verschillende vogels slechts klimaatsverscheidenheden zijn, op grond waarvan hij zonder de minste terughouding durft voorspellen, dat de half Amherst- en half Goudlaken-bastaarden voor altijd standvastig zullen blijven, even als beide stamouders standvastige kenmerken bezitten en als zoodanig zullen blijven bestaan. Genoemde schrijver vraagt eenvoudig: welke toch wel de kenmerken eener soort, en welke die van een ras zijn? en hij bekent gulweg, dit zelf niet te kunnen verklaren. Hoe dit ook zij, het blijft een opmerkelijk verschijnsel, dat zulke zoo zeer in kleuren verschillende vogels onderling paren en nieuwe, vroeger in de schepping ontbrekende wezens, schooner dan zij zelven, te voorschijn brengen.

 

Deze vogels, even als de Amherst- en de Goudlaken-Fazant, behoeven ruime volières of een geheel vrij terrein, een droogen grond, veel zonnewarmte, doch daarbij ook behoorlijk lommer en laag groen, om daaronder gedurende het warmst gedeelte van den dag te kunnen schuilen.