Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/241

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


193

De vrij talrijke gegoeden zeker wel. De scholen zijn alle goed bevolkt, doch onder de leerlingen zijn veel afstammelingen van Minangkabauers en Mandailingers. De koelibevolking leeft het maatschappelijk leven weinig mee.

Atjeh. De aanleg van het volk valt mee. Het onderwijs zal er meer slagen, naarmate de pacificatie vordert en rust en welvaart meer gaan heerschen; omgekeerd zal het onderwijs de pacificatie bevorderen. Ontegenzeggelijk neemt de weerzin tegen instellingen van het Gouvernement af. Het land, dat goede hulpbronnen bevat, wordt op den duur wel goed, welvarend en beter bevolkt.

 

Hoe ver men nu is met het invoeren van onderwijs.

In begin 1915 moet het op Sumatra (de gewesten, dus de Riau-archipel en de Westelijke eilandenrij inbegrepen) aldus ongeveer gesteld zijn geweest met de verbreiding van het onderwijs:

Van de ruim 4 500 000 zielen tellende Mohammedaansche bevolking ontvangen 25 000 jongens en 2000 meisjes onderwijs op de Gouvernementsscholen en 40 000 jongens en 3500 meisjes op de neutrale volksscholen.

Bij eenigszins geregelde toestanden kan men rekenen, dat (het aantal leerjaren in aanmerking genomen — scholen voor Europeanen kunnen niet als maatstaf dienen) het aantal schoolgaande jongens en dat der meisjes elk 5% der bevolkingssterkte zou moeten bedragen, als het genieten van onderwijs algemeen ware. Wij komen dus tot het resultaat, dat 32 1/3% van de in aanmerking komende jongens en 2 3/4% van dat der meisjes onderwijs ontvangt.

Op de Zendingsscholen zijn een 30 000 jongens en 4000 meisjes. De jongens, voorzoover bereikbaar, heeft men zoo wat alle — de nieuwe zendingsvelden natuurlijk uitgezonderd —, van de meisjes nog geen zevende deel.

Moet men bij de voortgaande uitbreiding van het aantal scholen — naar buiten toe blijkt alleen van de extensieve onderwijsuitbreiding; de intensieve uitbreiding kan men niet in cijfers uitdrukken — het eerst denken aan de meest ontwikkelde streken, waar de bevolking- om onderwijs roept, of aan de achterlijkste, waar het volk geen onderwijs kent en er dus niet om vraagt? Mag men bij het in-