Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/60

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

34

het zachte tuf veroorzaakt. Zoo komt het dat de wanden bij groote plakken afvallen. Het tuf aan de wanden heeft meestal zelfs geen tijd om te verweeren; van te voren is er al weer een scherf afgevallen, en zoo komt het, dat men overal tegen de geelwitte wanden der versche breuken aanziet.

En het riviertje, hoe klein ook, is best in staat om de kloof zijne groote breedte te geven. De stroom is snel. De Si Anok bandjirt soms, zij kronkelt over den bodem der kloof en men kent den regel bij alle stroomende rivieren: zij zoeken bestaande bochten te vergrooten. Dit is een gevolg der inertie van de stroomkracht van het water; dit wil rechtuit blijven stroomen, buigt zich slechts voor een krachtigen weerstand om.

Het slib blijft liggen aan de binnenzijde der bochten, waar het water rustiger is, en vormt er een deel van een slibkegel. De bochten knagen aan hunne buitenzijde steeds aan de kloofwanden en ondermijnen die voortdurend. Een hevige regenbui helpt dan wel een handje mee om weer een scherf te doen neerstorten, de kloof is dus weer iets verwijd en het neergevallen puin wordt langzaam weggeruimd door de rivier of wel naar rustiger hoekjes meegevoerd om daar tot sawahbodems te dienen.

Door dit proces is verklaard, hoe de Ngarai zoo breed kan worden, zóó dat angstige zielen zelfs wel het bestaan van Fort de Kock door haar bedreigd achten binnen afzienbaren tijd. Maar de oorzaak van de groote diepte der kloof, 80 à 100 Meter, is hiermee nog niet aangewezen.

In den diluvialen tijd, toen in het Noorden de ijstijden heerschten, die ook in ons land zulke diepe sporen hebben nagelaten, heerschte er in Indië een veel regenrijker klimaat dan tegenwoordig. Toen zijn ook deze tuffen uit de omringende vulkanen neergeregend. De rivieren waren grooter en machtiger, konden alzoo veel sterker erodeeren. En zoo is ook dit Masangdal in den diluvialen tijd sterker uitgediept. Men vindt op Sumatra veel zulke voor de tegenwoordige rivieren te ruime dalen, ja zelfs wel oude dalen, waarin geen rivier meer is. Verderop zullen wij in wijde omgeving van het Tobameer in veel dikkere tuflagen nog veel enormer en talrijker gelijksoortige cañons vinden.