Pagina:Multatuli - Minnebrieven.djvu/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


Én Krates bleef zitten op den stoel dien hij troon noemde.

En hij is daarop blijven zitten, tot op dezen dag.


Achtste geschiedenis van gezag.

Thugater[1] melkte de koeijen haars vaders, en zij melkte goed, want de melk die zij tehuis bragt, leverde meer boter dan de melk die tehuis werd gebragt door hare broederen. Ik zal u zeggen hoe dit kwam, en let goed op, Fancy, dat ge 't weet,... als ge eenmaal zult uit melken gaan. Maar ik zeg u dit niet, opdat gij melkt als Thugater, maar omute wijzen op hetvoorbeeld harer broederen, die door minder goed te melken, beter deden. Verstandiger althans.

Vóór de jonge landlieden de weide betreden, ja lang voor dien tijd, staan de koeijen te wachten bij het hek, om ontlast te worden van den overvloed, dien ze eigenlijk gereed maakten voor huune kalveren. Maar de menschen eten die kalveren op, omdat zij daartoe de geschiktheid voelen, en dan is er melk teveel in de uijers.

Wat geschiedt er nu onder dat wachten van de koei- jeuonet domme gezigten, voor het hek? Onder dat stilstaan drijft het ligtste deel;der melk, de room, het vet, de boter, naar boven, en ligt dus het vérst van den tepel. — Tepel is mannelijk, wat ik heel gek vind.

Wie nu geduldig melkt, tot het laatste toe, brengt vette melk te huis. Wie haast heeft, laat room achter.

En zie, Thugater had geen haast, maar hare broederen wél.

  1. Thugateer = dochter = melkster. Zie 't Sanskrit.